Geschiedenis

 
••••••••••

 

 

Terug in de tijd

In 2003 ging de regeling Innovatiearrangement van start. Twaalf jaar later – eind 2015 – zijn de laatste innovatiearrangementen afgerond. Tijd voor een terugblik.

Gedurende de looptijd is de regeling Innovatiearrangement een aantal keer aangepast, met als doel de regeling zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de werkwijze van de scholen. Zo veranderde de begeleiding door de procesmanagers. In het begin was het vooral een kwestie van ‘u vraagt, wij leggen uit’. Maar die aanpak werd al snel losgelaten om bureaucratie te vermijden en zoveel mogelijk scholen en bedrijven aan te moedigen om hun innovaties in praktijk te brengen. Onderzoek van lector Frans de Vijlder (zie interview in dit magazine) laat zien dat de scholen juist dit meedenken erg hebben gewaardeerd. Daarbij werden – soms ook in het belang van de scholen – de grenzen van de regeling opgezocht.

BOT-gesprekken
Een andere ontwikkeling is dat procesmanager Peter Sprinkhuizen in (2003-2012) de zogenaamde BOT-gesprekken introduceerde. Tijdens deze gesprekken ging hij met de ‘benen op tafel’ in gesprek met scholen om hun aanvragen te analyseren. Ook dacht hij mee over vernieuwende manieren om problemen op te lossen. Op die manier wist hij scholen écht uit te dagen en ze voor valkuilen te behoeden. Toch bleken scholen nog vaak last te hebben van de knellende regels. Zeker in het begin van de regeling werden projectaanvragen strikt beoordeeld op de drie pijlers van de agenda: samenwerking in de beroepskolom, samenwerking met de bedrijven en de innovatieve aanpak.

‘Onze school had nooit een dergelijke ontwikkeling door kunnen maken zonder het innovatiearrangement en de impulsprojecten. De meerwaarde zit hem ook in de overdracht naar andere scholen. Ik zal dat aspect dan ook altijd benadrukken.’ 

Leen Prins, waarnemend rector Schoonhovens College.

 

Veranderende aanpak
Het is in de beginperiode (2003) dan ook regelmatig gebeurd dat een uitgebreid en goed doortimmerd plan strandde. Instructiebijeenkomsten, waarin de regeling inhoudelijk werd uitgelegd – en waarbij ook de rol van het onderzoek en de verantwoording werden toegelicht – konden dit niet verhelpen. Daarom werd het roer in 2004 – in overleg met de scholen en het ministerie van OCW – omgegooid. Vanaf dat moment werd een idee eerst op papier gezet, waarna een uitnodiging volgde om dit idee voor de beoordelingscommissie te komen presenteren. Na een geslaagde presentatie volgde de uitwerking in een plan en een definitieve aanvraag. Het voortraject en de begeleiding werden dan ook steeds belangrijker. Er ontstond onder de procesmanagers zelfs gezonde concurrentie over het aantal geslaagde aanvragen dat je langs de commissie wist te krijgen.

Beeldstrategie
Niet alleen de aanpak veranderde gaandeweg, ook de eisen veranderden. Zo werd de definitie van innovatief bijgesteld. Ook werd duidelijk dat de dieptestrategie met unieke experimenten nauwelijks haalbaar was, omdat er vrijwel geen aanvragen waren die aan deze definitie beantwoordden. Dit leidde ertoe dat het ministerie van OCW – op aangeven van de beoordelingscommissie onder leiding van Arie van der Zwan – zich ook hard ging maken voor aanvragen in de breedtestrategie. En ook combinaties van bekende werkwijzen met nieuwe methoden kwamen in aanmerking voor honorering.

Soepeler voorwaarden
Daarnaast werden de voorwaarden voor samenwerkingsverbanden soepeler. Zo hield HPBO tijdens de economische crisis minder streng vast aan eis van 20 procent cofinanciering door het bedrijfsleven. Het is immers niet gemakkelijk om bedrijven te vinden die bereid zijn hun nek uit te steken als ze zelf met moeite het hoofd boven water kunnen houden.

Flinke investering in versterking beroepsonderwijs

In december 2015 zijn alle innovatiearrangementen die Het Platform Beroepsonderwijs de afgelopen jaren begeleidde, afgerond. Waar ging al dat innovatiegeld heen? Een goed moment om dieper op de cijfers in te gaan.

Belangrijke bron voor dit cijferoverzicht is het archief van Manon van Eijden, projectbeheerder en bureaumanager bij HPBO. Daarnaast leverde Kees de Langen van het bedrijfseconomisch bureau Jac’s den Boer & Vink bv cijfers. De Langen volgde alle financiële zaken rond de projecten op de voet. Tussen 2003 en 2015 zijn er zo’n 150 innovatiearrangementen uitgevoerd. Van de 100 miljoen toegekende subsidie werd bijna 90 miljoen daadwerkelijk gebruikt. Zo’n 11%, bijna 12 miljoen, ging terug naar het Ministerie, omdat HPBO projecten – die onvoldoende presteerden – stopte. Ook bleken sommige projecten minder te kosten dan begroot.
Naast de subsidie – maximaal 40% van de begrote kosten – leverden onderwijsinstellingen en bedrijven een eigen bijdrage aan de innovaties. We verwachtten van de bedrijven dat ze zo’n 20% van de kosten meefinancierden. Vanaf 2008 werd dit door de crisis lastiger en heeft HPBO wat ruimhartiger naar die cofinanciering gekeken. Eén project bleek geen bijdrage van het bedrijfsleven te hebben opgeleverd. Maar in totaal lukte het de 20% cofinanciering te halen.

Zowel innovatie/samenwerking met het bedrijfsleven als de samenwerking in de beroepskolom waren belangrijke criteria voor deelname. Dit laatstgenoemde criterium bleek lastig: instellingsbelangen waren vaak groter dan de wil tot samenwerking en vernieuwing. Tegelijkertijd zijn er ook mooie, duurzame samenwerkingsrelaties uit ontstaan. Uit de cijfers blijkt dat de samenwerkingsprojecten vmbo-mbo het populairst waren.

De meeste vernieuwers richtten zich op de sector techniek. Het indienen van projectplannen is in deze sector gebruikelijker dan in andere sectoren. Opvallend is ook dat er veel sectoroverstijgende plannen werden ingediend. Het groene onderwijs en logistiek scoren minder hoog.
De verdeling over de provincies is niet heel verrassend. De provincies Zuid-Holland en Brabant scoren – met veel onderwijsinstellingen en industrie – veruit het hoogst. De provincie Drenthe, Flevoland en Zeeland scoren om die reden lager. De provincie Drenthe bleef lang zonder ook maar één aanvraag, maar trok de laatste jaren iets bij.
Zoomen we in tot het niveau van de onderwijsinstellingen, dan staat het Rotterdamse Albeda College met acht projecten bovenaan, direct gevolgd door het Summa College uit Eindhoven: zeven projecten. Ook ROC Twente deed goed mee en staat op de derde plaats. Eveneens met zeven projecten, maar met net iets minder toegekende subsidie. Is het Albeda College dan innovatiever dan andere scholen? Nee. Een school die speciale medewerkers inzet om subsidie binnen te halen, maakt meer kans. Daarbij spelen de mate waarin schoolleiders voor innovatie gaan en de schoolcultuur mee. Bovendien zijn er scholen die niet voor externe financiering kiezen, omdat ze denken dat dit niet tot structurele vernieuwing of verbetering leidt.

Tenslotte de audits. Om de innovatiekracht van de instellingen te versterken, heeft HPBO in de loop van het traject een auditcommissie ingevoerd. Deze commissie bezocht de projecten halverwege de projectperiode en heeft als ‘critical friend’ geholpen het beste uit projecten en projectmedewerkers te halen. Zeven projecten – van de 123 audits – lieten te weinig voortgang zien. De meeste daarvan heeft HPBO stopgezet. Een enkel project maakte een herstart. 96 projecten kregen de waardering ‘positief mits’ er een aantal belangrijke adviezen van de commissie werden opgevolgd. Twintig kregen de waardering ‘positief, voldoende voortgang’ met enkele kleine verbeteradviezen.