Doorstroom in de groene sector

 
••••••••••

 

 

Weten wat je wilt

Van de leerlingen die op een groen vmbo zitten, stroomt slechts 30 procent door naar het groene mbo. De doorstroom in de groene beroepskolom kan dus beter. Maar hoe bereik je dat? Volgens Frank de Jong, lector bij Stoas Wageningen Vilentum Hogeschool, valt er een wereld te winnen bij het maken van een gefundeerde beroepskeuze. Goede voorbereiding op de overstap en afstemming tussen voor- en vervolgopleiding vindt hij ook van belang. ‘Leerlingen hebben vaak geen goed beeld van wat er allemaal mogelijk is in de groene sector.’

De stokkende doorstroom in de groene sector begint al bij de keuze voor het groene vmbo. Dat is de stellige overtuiging van Frank de Jong. ‘Het groene vmbo heeft een hoge aaibaarheidsfactor, de scholen staan goed bekend. Er zitten – in vergelijking met het gewone vmbo – veel witte kinderen op. Ouders sturen hun kind graag naar een groen vmbo, omdat het omgaan met dieren, het werken met bloemen of in de tuin werken positief bijdraagt aan de ontwikkeling en de leer- en of pedagogische problematiek van hun kind. Ook heeft het groene vmbo een goed imago. Maar hun zoon of dochter gaat niet naar het groene vmbo om later een groen beroep in te gaan.’

‘Leerlingen denken dat ze alleen met tuinieren bezig zijn’

Gevolg is volgens De Jong dat veel kinderen die van het groene vmbo afkomen niet voor een vervolgstudie kiezen aan een groen mbo. ‘Vroeg kiezen is niet altijd goed. Een 12-jarige weet waarschijnlijk helemaal niet wat groen vmbo inhoudt. Iemand die zestien is weet vaak beter wat hij wil. En dat kan betekenen dat leerlingen niet door willen leren aan een groen mbo, maar aan het gewone mbo doorstuderen. Is dat dan verkeerd? Helemaal niet. Als leerlingen doorstuderen aan het mbo en daar niet uitvallen, ben ik allang blij.’

Bloemschikken
Om de doorstroom binnen de groene beroepskolom te bevorderen, is het volgens De Jong belangrijk dat leerlingen een gefundeerde beroepskeuze maken. Daarbij hoort bijvoorbeeld dat jongeren weten wat er in de groene sector te halen valt. ‘Leerlingen hebben vaak geen goed beeld van wat er allemaal mogelijk is in de groene sector. Ze denken dat je alleen met tuinieren bezig bent. Maar het groene onderwijs is zoveel meer; het varieert van bloemschikken tot voedseltechnologie en van dierverzorging tot sport en recreatie. Bovendien liggen de banen – bijvoorbeeld in de voedseltechnologie – echt voor het oprapen.’

Praktijkervaring
Daarnaast hamert De Jong op het belang van praktijkervaring. ‘Een informatiefolder lezen over een opleiding en wat je er uiteindelijk mee kunt, zegt veel minder dan in de praktijk het gesprek aangaan met toekomstige collega’s. Zij kunnen je vertellen wat het beroep inhoudt, wat je kunt verwachten.’ Als voorbeeld noemt De Jong het innovatiearrangement ‘De praktijk als leidraad in een doorlopende leerweg’, waarbij AOC Oost experimenteerde met een wekelijkse onderzoeksdag. ‘Leerlingen uit het vmbo, mbo en hbo deden een dag per week onderzoek bij bedrijven. Studenten kregen zo een veel beter beeld van wat er komt kijken bij werken in een bedrijf in de groene sector. Zo konden ze een veel bewustere keuze maken voor de groene beroepskolom. Een ander belangrijk aspect is dat het Groene Lyceum ook een veel betere voorbereiding op en een afstemming van pedagogiek en didactiek met het vervolgonderwijs realiseert. Ook dit bevordert de kwaliteit van doorstroming. En daar gaat het uiteindelijk om!’